De Beste Staat Die We Nooit Gehad Hebben

De Beste Staat Die We Nooit Gehad Hebben

Zolang er macht is, is er gepoogd die macht te legitimeren. Vooral het legitimeren van een allerhoogste, ofwel soevereine, macht is historisch geen eenvoudige taak gebleken. Want hoe bepaal je precies wie de allerhoogste macht moet krijgen?

Is het hebben van de meeste macht ook voldoende voor de legitimiteit van die macht? Als het hebben van de macht ook direct de legitimering is, dan kan iedereen proberen om die macht voor zichzelf te verkrijgen en hij die hem heeft zal de soeverein zijn zolang hij leeft.

Dit scenario werd door Thomas Hobbes (1588-1679) ook wel de State of Nature genoemd. Zijn beschrijving van het leven van mensen in die natuurtoestand[1] is kort en bondig; solitary, poore, nasty, brutish and short. Brute macht alleen blijkt een onhandig legitimiteitscriterium. Dit probleem was ruim duizend jaar eerder ook opgemerkt door filosoof en kerkvader Augustinus.

In zijn werk Stad van God (426 AD) probeert hij de wereldlijke macht van christelijke heersers te verdedigen. Hij illustreert wat er met zijn legitimering op het spel staat middels een beroemde anekdote van een conversatie tussen een keizer en een piraat. De gevangen piraat wordt gevraagd door Alexander de Grote wat hij zich wel niet verbeeld met het op gewelddadige wijze veroveren van de zeeën.

De piraat antwoord, volgens Augustinus op gepaste wijze, als volgt En wat laat gij u voorstaan, dat gij dus de gehele wereld gaat plunderen en beroven? Maar overmits ik zulk met één klein scheepje doe, zo word ik een zeerover genoemd; doch gij, overmits gij dat doet met een machtige en geweldige vloot, wordt een Veldoverste en Koning genoemd.[2]

Voor Augustinus is het glashelder dat, zonder verdere rechtvaardiging van de macht, de keizer en de piraat alleen in schaal van elkaar verschillen, niet in legitimiteit. Zonder verdere rechtvaardiging van de macht van de keizer heeft de piraat volgens Augustinus dus gewoon gelijk.

Zonder verdere rechtvaardiging van de macht van de keizer heeft de piraat volgens Augustinus dus gewoon gelijk

In de 17e eeuw was de goddelijke legitimering van Augustinus niet meer zo populair. Niet omdat goddelijke legitimering an sich uit de mode was, maar omdat de door Augustinus aangehaalde argumenten voor de onoverwinnelijkheid en vredelievendheid van christelijke naties ondertussen waren weerlegd door de geschiedenis.

De Britse filosoof Sir Robert Filmer had de oplossing. Hij legitimeerde in zijn postuum verschenen werk Patriarcha (1680) het goddelijke recht van koningen om te regeren door de oorsprong van de macht van monarchen te herleiden tot Genesis. Zijn argumentatie luidt grofweg als volgt: God gaf Adam de macht over de aarde, vervolgens ging die macht van Adam over op Noah en van Noah op zijn drie zonen en van die drie zonen vervolgens op alle koningen van de wereld.

Nu zouden wij wellicht lachen om zo'n argumentatie, maar in zijn tijd werd dit bloedserieus genomen, heet bediscussieerd in publieke gebouwen en leidde het zelfs tot opstootjes in het parlement.

Maar wat is die algemene wil waar het publiek belang op rust?

Iemand die zeker niet kon lachen om Patriarcha was John Locke. Het eerste deel van zijn boek Two Treatises of Government (1689) is dan ook volledig opgedragen aan het weerleggen van de argumenten die Sir Filmer in Patriacha uiteenzet. In plaats van het apologetische werk af te doen als onwetenschappelijke onzin, dook John Locke zelf in de bijbel.

Hij concludeerde dat er geen bewijs is dat er een ononderbroken lijn van Adam tot enige hedendaagse koning bestaat op basis van de informatie beschikbaar in de Heilige Schrift. In de Second Treatise komt Locke met een alternatief verhaal over de oorsprong van politieke organisatie, inclusief een eigen versie van de natuurtoestand.

Daarin is de rede het van God gegeven gereedschap waarmee de mens Zijn bedoeling kan begrijpen en de wetten van de samenleving als ‘niet-arbitrair’ kan ervaren. Zo plaatst Locke God nog steeds aan het begin van de menselijke samenleving, maar is het niet langer noodzakelijk dat God aan een enkel persoon alle macht overdraagt voor het legitimeren van de machtsstructuur binnen die samenleving.

Rousseau zou later God helemaal uit de ontstaansgeschiedenis van de politieke samenleving werken. Hij introduceerde in zijn werk Het Sociaal Contract (1762) de ‘algemene wil’ als metafysische entiteit, de inhoud waarvan ‘de wetgever’ moet zien te achterhalen en de soeverein vervolgens dient uit te voeren.

De inhoud van die algemene wil is notoir duister, wellicht omdat het concept in het leven lijkt te zijn geroepen om een uitweg te forceren uit een inherente paradox. In Het Sociaal Contract is de staat enerzijds een afgeleide van vrije en gelijke individuen, maar anderzijds een soeverein die de macht heeft om dwang uit te oefenen over die vrije en gelijke individuen.

Deze tegenstelling wordt ontweken door een beroep te doen op een ‘publiek belang’ dat op zijn buurt is gefundeerd in een ‘algemene wil’. Maar wat is die algemene wil waar het publiek belang op rust? Bepalen de burgers wat de inhoud van die wil is, of bepaalt de staat dat? Aangezien de term zelf geen logische of empirische eigenschappen heeft, maar simpelweg wordt gepostuleerd als ‘Get Out Of Jail Free Card’ op het moment dat de theorie van het sociaal contract uit dreigt te lopen op een paradox, lijkt het er eerder op dat ‘algemene wil’ de paradox helemaal niet oplost, maar de tegenstelling slechts op retorische wijze verduistert.

Dat was geen probleem zolang het sociaal contract-denken nog louter een filosofische aangelegenheid was. Echter, toen eind achttiende eeuw in Frankrijk de nood aan de man begon te raken, waren juristen naarstig op zoek naar een oplossing om de vrede tussen het volk en de gevestigde macht te bewaren.

In zijn pamflet Wat Is De Derde Stand? (1789) probeert de jurist en filosoof Abbé Sieyès het gedachtegoed van Rousseau te incorporeren in een voorstel voor een nieuwe grondwet. Verlichtingsfilosofen als Diderot en Robespierre hadden zich al lofrijk uitgelaten over Rousseaus Het Sociaal Contract waardoor dat de aangewezen plek werd om te zoeken naar een oplossing voor de naderende crisis. Probleem voor Sieyès was wel dat het besluiten over een grondwet volgens de theorie van Rousseau een democratisch gekozen tijdelijke overheid zou noodzaken. Daar had Sieyès alleen geen zin in.

De bijzondere representanten kunnen iedereen zijn en zitten bovendien al in de regering

Om trouw te blijven aan Rousseaus gedachtegoed zou hij de gehele Franse populatie bijeen moeten brengen en aan alle burgers moeten vragen wat ze willen. Als weg uit deze infrastructurele nachtmerrie verzon de jurist een nieuwe term, ‘constituerende macht’. Deze constituerende macht is een eigenschap van ‘het volk’ en kan worden overgedragen op ‘bijzondere representanten’. En kijk eens aan! De bijzondere representanten kunnen iedereen zijn en zitten bovendien al in de regering.

Vervolgens kunnen die representanten, die de constituerende macht van het volk op zich overgedragen hebben gekregen, een constitutie bepalen in naam van de Soevereine Natie[3] Een regering kan dan vervolgens worden aangewezen door de representatieve instituties gedefinieerd in de constitutie in plaats van via directe democratische participatie van de natie.

De argumentatie is kortom als volgt: er is een volk dat een constituerende macht heeft, deze macht kan worden overgedragen op willekeurig wie, die vervolgens met die macht de algemene wil van het volk vertaalt in een grondwet, en via die grondwet worden vervolgens representatieve instanties in het leven geroepen en via die representatieve instituties wordt vervolgens de regering gevormd (ook wel ‘geconstitueerde macht’ genoemd).

Die regering maakt vervolgens alle wetten in de wil en de naam en met de macht van Het Volk, zonder dat er een lid van ‘het volk’ aan te pas hoeft te komen. De parallellen met Filmer's Goddelijk Recht zijn evident. Ook hier aan metafysische entiteiten en vergezochte genealogieën geen gebrek. Het was Sieyès' intentie om via deze weg de monarchie democratisch te legitimeren in de ogen van het rapalje. Dat is hem niet gelukt.

Toch is veel van zijn vaagtaal overgebleven in de uiteindelijke constitutie, onder andere de uitspraak de wet is een uiting van de algemene wil van het volk. Al is die uitspraak beter aan de oorspronkelijke gedachte van Rousseau toe te schrijven, dan aan Sieyès' pragmatische interpretatie.

Het verwarrende aan termen als algemene wil en constituerende macht uit de voorgaande geschiedenis, is dat het hier gaat om ‘reïficaties’. Van een reïficatie is sprake zodra een abstractie, zoals ‘het volk’ of ‘de algemene wil’ wordt behandeld in logische argumenten (of constituties) alsof het een concrete entiteit betreft.

Het is kortom de fout iets te behandelen als een concreet ding, terwijl het in werkelijkheid slechts om een idee gaat. In het geval van een concept als ‘algemene wil’ wordt eerst ieder individu samengebald in een eenheid, genaamd ‘Het Volk’. In deze hoedanigheid worden vervolgens alle eigenschappen van individuen die dat volk uitmaken vervangen door een enkele veronderstelde gemene deler, zoals de ‘algemene wil’.

Aangezien niet alle individuen in staat worden geacht om de algemene wil te ontdekken of zelfs maar te volgen, is het nodig dat er iemand anders is die dat voor hen kan doen. Om in de geest van Sieyès te spreken: omdat de wil van de natie niet de wil is van de bijzondere representanten, maar alleen door hen aan het licht gebracht kan worden, is er geen noodzaak de bevolking zelf te vragen om hun beslissingen goed te keuren.[4]

Misschien voelt de lezer nu de bui al hangen. In de eerste helft van de vorige eeuw was er een Duitse rechtsgeleerde, Carl Schmitt (1888-1985), die de paradox van de politiek op zijn eigen manier dacht op te lossen.

Hij behield de Rousseaudiaanse idee van een algemene wil, combineerde dat met Sieyès' constituerende macht, pakte van Rousseau het idee van de Wetgever met superieure kennis en de Soeverein met superieure macht en combineerde al deze zaken in een enkel individu: De Dictator.

De wetgever is puur recht, maar heeft geen macht, de soeverein is pure macht maar heeft geen recht om wetten te maken, maar als een persoon zowel de ‘algemene wil’ kan vertalen naar wet alsook die wet vervolgens kan handhaven, lost dit niet alleen de paradox op van Rousseau, maar scheelt dat bovendien een hoop stappen vergeleken met de versie van Sieyès.

In de praktijk is het dus heel waarschijnlijk dat een klein groepje mensen besluit over de inhoud van de constitutie

Rousseaus beschrijving van een grondwet als een actie van de algemene wil, waarbij een veelheid een volk wordt droeg de totalitaire implicatie die Schmitt later zou opschrijven al in zich. Het is dus niet helemaal fair om pas bij Schmitt in de kramp te schieten, want Schmitt maakte alleen gebruik van de concepten die voorhanden waren en wist deze slim te combineren.

Alle voorgaande politieke theorieën hadden ondergedefinieerde metafysische entiteiten aan het fundament van hun legitimering. Als het waar is dat de Algemene Wil, de Constituerende Macht en Het Volk gereïficeerde concepten zijn zonder intellectuele content – en ik ben van mening dat dat inderdaad zo is – dan is het werkelijke probleem het gebrek aan ongemak over de ambiguïteit van de termen zelf, en niet slechts Schmitt's uiteindelijke interpretatie.

Ongeacht een specifieke voorkeur voor een politiek systeem, als in de legitimering van dat systeem termen voorkomen zonder intellectuele content, zijn de argumenten waarin ze voorkomen betekenisloos.

Tegenwoordig is de algemene wil niet uitsluitend een inhoudsloos concept meer. Als we kijken naar deliberatieve democratie, wordt er wel gesproken van een ‘publiek belang’, maar dat staat niet los van de uitkomst van vrije en gelijke deliberatie.

Het is met andere woorden niet langer een ‘ding op zich’ dat wel vermoedt, maar niet gevonden kan worden door daadwerkelijk onderzoek. Dus hoewel ‘de algemene wil’ als reïficatie op zijn retour is in sommige takken van politieke filosofie, is het nog vaak onduidelijk wat er precies voor in de plaats komt.

Bijvoorbeeld, in Constitutional Democracy (2001), heeft Habermas het over de manier waarop het proces rondom het maken van een constitutie in zijn werk moet gaan. Het is volgens Habermas belangrijk dat het in theorie mogelijk is dat iedereen aan het proces deelneemt, maar de hoeveelheid mensen die feitelijk deelnemen blijft ‘arbitrair’.

In de praktijk is het dus heel waarschijnlijk dat een klein groepje mensen besluit over de inhoud van de constitutie. De vraag die zich vervolgens aandient is: hoeveel autoriteit de grondwet heeft als de representatie van het volk niet kan worden gelegitimeerd via een ‘algemene wil’ en tegelijkertijd maar een klein deel van het volk heeft deelgenomen aan het opstellen van de grondwet.

De paradox van de politiek komt zo via een achterdeur weer binnen. De oplossing voor deze paradox ligt niet in het verzinnen van meer metafysische entiteiten om de instabiele systemen die er al zijn op te lappen, maar ook niet in de praktische oplossing ervan in het midden te laten.

Als we werkelijk een oplossing willen vinden voor de tegenstelling tussen vrije en gelijke individuen enerzijds en een coërcief rechtssysteem anderzijds, moeten filosofen zich meer richten op het identificeren van de feitelijke beperkingen die leiden tot een suboptimale verhouding tussen individuele vrijheid en samenleving.


Deze tekst is een adaptatie van een speech die werd uitgesproken tijdens Filosofisch Festival Drift 2015: De Chaos Tegemoet


  1. ^ Thomas Hobbes, Leviathan, hoofdstukken XIII–XIV
  2. ^ Augustinus, Stad van God, BOEK 4, Hoofdstuk 4: HOE DE KONINKRIJKEN ZONDER GERECHTIGHEID AAN DE MOORDEN EN ROVERIJEN HEEL GELIJK ZIJN.
  3. ^ De natie is soeverein omdat er in de Geest van Het Volk een Constituerende Macht en een Algemene Wil aanwezig is, uiteraard.
  4. ^ Jeremy Jennings, The French Revolution: Recent Debates and New Controversies, 2011; p. 80
Hoe Trump's Poolse Speech Het Westen Herdefinieerde als Bloed en Bodem

Hoe Trump's Poolse Speech Het Westen Herdefinieerde als Bloed en Bodem

Kok in het kalifaat

Kok in het kalifaat