Natiestaat discriminatiestaat

Natiestaat discriminatiestaat

Discriminatie hoort in Westerse landen niet thuis. Dit idee, al sinds de Verlichting een pilaar van de Westerse samenleving, ligt ook aan de basis van de Nederlandse rechtsstaat. Het gelijkheidsbeginsel prijkt als artikel 1 boven aan de grondwet. Maar de afgelopen weken hebben de verdedigers van diezelfde rechtsstaat herhaaldelijk betoogd dat vluchtelingen net zomin thuishoren in Westerse landen als discriminatie. Om onze staat te beschermen, zouden we vluchtelingen moeten weren. En daarmee wringt de staat zich in een paradoxale positie.

Naast een kleinzerig nationalisme en een onderbuik-xenofobie is het voornaamste argument om vluchtelingen te weren dat er in Nederland een schaarste van goederen is. Dat is de diepere betekenis van de populistische evergreen ze komen onze banen inpikken: een toestroom van vluchtelingen zou betekenen dat er minder banen en geld overblijven voor Nederlanders. Dat probleem wordt nog eens vergroot door het bestaan van een verzorgingsstaat: als ze niet onze banen komen inpikken (bijvoorbeeld omdat ze geen werkvergunning krijgen), komen ze profiteren van gratis zorg, onderdak en onderwijs – en dat alles ‘van onze belastingcenten’. Halbe Zijlstra's ooglidcorrecties en borstvergrotingen waren een poging om ditzelfde punt eloquenter te verwoorden: een grote toestroom aan vluchtelingen legt een grote druk op de verzorgingsstaat.

Alle huidige plannen maken onderscheid tussen 'wij' en 'zij'.

Om die druk te verlagen, zijn maatregelen nodig – daarover zijn de politieke elite en de vox populi het eens. De politieke opties omvatten onder andere het weren van vluchtelingen bij de grens, het bemoeilijken van het proces voor verblijfsvergunningen, of het soberder maken van de opvang van asielzoekers. Al deze plannen berusten op een centraal onderscheid tussen ‘wij’ Nederlanders en ‘zij’ vluchtelingen – en daarmee op een vorm van discriminatie. We proberen een scheiding aan te brengen tussen mensen die wel en mensen die geen recht hebben op een werk- of verblijfsvergunning; op sociale voorzieningen; of zelfs maar op aanwezigheid in Nederland.

We kunnen – en moeten – ons afvragen wat dit betekent in het licht van de grondwet. Want hoewel in Nederland de grondwet geen juridisch bindende kracht heeft (zie het toetsingsverbod), drukt ze wel de fundamentele beginselen van de Nederlandse samenleving uit. Artikel 1 luidt: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Het is duidelijk dat het versoberen van sociale voorzieningen voor homo's, moslims of Limburgers in tegenspraak zou zijn met de grondwet en met onze principes. Waarom is het versoberen van voorzieningen voor mensen met een tijdelijke verblijfsvergunning dat dan niet?

Sommige groepen zijn gelijker dan andere

Er vallen juridische argumenten te bedenken om de ongelijke behandeling van vluchtelingen te rechtvaardigen onder verwijzing naar de gelijkheid ‘in gelijke gevallen’: alle vluchtelingen vallen onder dezelfde regeling, maar vallen onder een andere regeling dan Limburgers of EU-burgers. Maar dit is een precair argument: het is makkelijk om een interpretatie een bepaalde kant op te forceren.

Een gedachtenexperiment: stel dat artikel 1 in de huidige formulering werd gebruikt in het debat over vrouwenkiesrecht. Alle vrouwen worden behandeld als gelijk aan elkaar, net als alle mannen: vrouwen hebben geen stemrecht, maar omdat ze geen van allen stemrecht hebben, is er geen discriminatie. Gelijke gevallen worden gelijk behandeld. De interpretatie van ‘gelijke gevallen’ lijkt zo grotendeels afhankelijk van ideologische, pragmatische en politieke overwegingen. Daarbij is het uiteindelijk de staat zelf die via de rechterlijke macht het laatste oordeel velt over wat precies gelijke gevallen zijn.

Binnen de context van de verzorgingsstaat dwingt de vluchtelingencrisis dus een beperkende invulling van het gelijkheidsprincipe af: sommige groepen zijn gelijker dan andere. In het publiek debat zijn dan ook twee kampen te onderscheiden: enerzijds de pragmatische nationalisten die zo'n beperkende interpretatie ondersteunen; anderzijds de verdedigers van gelijkheid coûte que coûte, die in de beperkende interpretatie een schending van het gelijkheidsprincipe zien. Beide partijen lijken echter niet te beseffen dat ze onmogelijke eisen stellen. De meeste voorstanders van onvoorwaardelijke gelijkheid willen tegelijk de verzorgingsstaat in stand houden of zelfs uitbreiden, en negeren zo de praktische problemen die dit met zich mee brengt. De nationalisten willen zowel op praktisch als op principieel niveau de status quo behouden: en de schaarse goederen (banen, sociale voorzieningen) gereserveerd houden voor een selecte groep échte Nederlanders, en het gelijkheidsbeginsel als richtlijn aanhouden.

Deze paradox is niet een toevallig gevolg van de vluchtelingencrisis: het is een probleem aan de wortels van de natiestaat. Enerzijds is de Westerse natiestaat als product van de Verlichting een bastion van Vrijheid en Gelijkheid. Anderzijds kan de natiestaat alleen maar bestaan door een ongelijkheid tussen burgers en niet-burgers in stand te houden, en niet-burgers bepaalde vrijheden te ontzeggen. Vrijheid en gelijkheid zijn zowel de wortel als de grens van de natiestaat.

Er zijn manieren om aan de paradox te ontsnappen. Het is namelijk mogelijk om één van de twee principes te laten varen. Nationalisme zonder gelijkheidsbeginsel lijkt op dit moment de meest populaire oplossing te zijn – het is in ieder geval de richting die Halbe Zijlstra in lijkt te slaan. Behoud de verzorgingsstaat, behoud een bevoorrechte concurrentiepositie voor Nederlanders op de arbeidsmarkt; en jammer voor het gelijkheidsbeginsel. Dit is een variant van neoconservatisme, of, in de letterlijke zin van het woord, een ‘nationaal socialisme’: nationalisme plus verzorgingsstaat.

Halbe Zijlstra pleit voor nationalisme plus verzorgingsstaat: een 'nationaal socialisme'

Er zijn wel degelijk alternatieven op dit nationaal socialisme: vormen van principiële gelijkheid zonder beperkend nationalisme. De auteurs zijn verdeeld tussen de volgende twee opties. Ten eerste is er het laissez-faire model: vrije immigratie, geen discriminatie door de staat op basis van geboorteplek en privatisering van alle publieke goederen. Daar tegenover staat: geen centraal geregelde sociale zekerheid en geen privileges op basis van nationaliteit. Dit is in Nederland een impopulaire optie, maar deze tak van libertarisme is in Amerika zowel ideologisch als politiek een serieus alternatief voor de schijnkeuze tussen liberal en conservative."

Daarnaast is er een ‘Trotskistisch’ model: vrije immigratie, geen discriminatie, en wel volle sociale zekerheid. Dit is misschien voor de liefhebber van de verzorgingsstaat de meest aantrekkelijke positie, maar meteen ook de moeilijkste. De enige manier waarop dit haalbaar is, is als er één globale natiestaat is, die voor iedereen zorgt. De vraag is of een enkele globale superstaat, met bijbehorende supermacht, wenselijker is dan een model van laissez-faire. En totdat de wereldrevolutie uitbreekt, zien wij dit sowieso niet gebeuren.

Doormodderen in de status quo van nationaal socialisme onder het mom van Vrijheid en Gelijkheid is voor de intellectueel en moreel integere burger geen optie. Het immigratiedebat heeft de fundamenten van de bestaande verzorgingsstaat wijd opengebroken en ontmaskerd als een ideologisch wankel construct. Toch wordt het debat gedomineerd door precies die stemmen die roepen om behoud van de status quo, ongeacht de gebreken. Het is hoog tijd om de discussie op een fundamenteler niveau te voeren.

De discussie of terroristen wel 'echte' moslims zijn is dom en staat bol van de denkfouten

De discussie of terroristen wel 'echte' moslims zijn is dom en staat bol van de denkfouten

Le Nazi Qui Rit

Le Nazi Qui Rit